Hoge bloeddruk of hypertensie

…is een vooral in westerse landen algemeen voorkomende aandoening.

Voor sommige mensen kan door het aanpassen van hun levensstijl, door verminderen van hun zoutgebruik, afvallen en veranderingen aanbrengen in hun stijl van leven, de bloeddruk normaal worden. Voor anderen zal het nodig zijn om met medicijnen de bloeddruk te verlagen.

Gevolgen en risico’s

BloeddrukmeterEen té hoge bloeddruk betekent dat het hart meer arbeid moet verrichten om het bloed, tegen een hogere weerstand in, door het lichaam te pompen. Hierdoor wordt de spierwand van de linker kamer op den duur dikker en minder flexibel. Ook de wanden van de slagaders worden dikker om beter tegen de druk bestand te zijn; er ontstaat eerder atherosclerose. Mensen met een verhoogde bloeddruk hebben ten opzichte van gezonden een duidelijk verhoogde kans op een hartinfarct of een beroerte. Bij behandeling daalt het risico op een beroerte tot normale waarden en de kans op een hartinfarct vermindert wel aanzienlijk maar de waarden van gezonden worden niet helemaal meer bereikt. Hypertensie is een stille aandoening: mensen met hoge bloeddruk merken hier meestal niets van. Het komt wel eens voor dat er hoofdpijn optreedt, maar de meeste hoofdpijn komt niet van hypertensie en de meeste mensen met hypertensie hebben geen hoofdpijn.

Oorzaken van hoge bloeddruk

In verreweg de meeste gevallen is de oorzaak van hoge bloeddruk niet bekend; we spreken dan van idiopathische of essentiële hypertensie. In zeldzame gevallen zijn b.v. hormoonverstoringen (Syndroom van Conn), medicamenten of vernauwingen in de nierslagader een oorzaak. Bij natuurvolkeren met een zoutarm dieet is hypertensie zeldzaam. Zoutloos eten als men eenmaal hypertensie heeft, is wel mogelijk en doet de hoge bloeddruk wel iets dalen maar meestal niet verdwijnen. Het eten van veel drop veroorzaakt hoge bloeddruk, niet direct door aanwezig zout, maar door een ander bestanddeel van de drop: glycyrrhizinezuur.

Wanneer is de bloeddruk te hoog?

Deze grens wordt arbitrair vastgesteld en is afhankelijk van wanneer men het gestegen risico abnormaal gaat noemen. De bloeddruk is continu verdeeld onder de bevolking en heeft de neiging met het vorderen van de leeftijd langzaam te stijgen, een stijging die bij natuurvolkeren (Papoea’s) die een niet-westers dieet gebruiken overigens niet optreedt. Een hogere bloeddruk geeft een wat hoger risico, maar er is geen duidelijke drempel waarboven het risico opeens sterk stijgt. Over het algemeen wordt bij volwassenen een bloeddruk boven 140/90 mm Hg als hypertensie bestempeld en afhankelijk van andere risicofactoren als rookgedrag, cholesterolwaarde, suikerziekte en leeftijd wordt een behandeling gestart. Overigens spreekt men pas over hypertensie als bij drie opeenvolgende metingen een waarde van meer dan 160/95 wordt gevonden.

Symptomen

Meestal geen. Bij extreme bloeddrukken komt wel eens hoofdpijn voor en algemeen onwelzijn. Veel mensen denken bij hoofdpijn aan hoge bloeddruk maar dit is eerder een zeldzaam verschijnsel. Een gespannen gevoel is eerder een oorzaak dan een gevolg van hoge bloeddruk: adrenaline-effect. Vrouwen met hoge bloeddruk hebben door die bloeddruk ook geen zwaardere menstruaties, wat nog wel eens wordt gedacht.

Medicijnen

Er zijn verschillende groepen bloeddrukverlagende medicijnen op de markt:

ACE-remmers
ACE remmers zijn medicijnen die de werking van Angiotensine Converting Enzym (ACE) remmen en worden voorgeschreven bij een gestoorde linkerventrikelfunctie (EF kleiner dan 40%) en bij bloeddrukverhoging, al dan niet als gevolg van een nieraandoening. Een ACE-remmer remt de omzetting van Angiotensine I in Angiotensine II. Angiotensine I komt uit de lever. Angiotensine is een stof met een krachtige vaatvernauwende werking die gevormd wordt in de nieren; zie Renine-Angiotensine systeem. Een ACE-remmer zorgt er dus voor dat er minder angiotensine II wordt gevormd. Het gevolg is dat bloedvaten dus minder vernauwd worden waardoor de bloeddruk vermindert en een verbetering van de werking van het hart optreedt. Het hart wordt minder belast en kan tegen een lagere weerstand inpompen.

Door deze werking zal een ACE-remmer op langere termijn beter werken dan een Angiotensine II receptor antagonist, waarbij alleen de receptor wordt geblokkeerd en niet de bloedspiegel van het vaatvernauwende Angiotensine II wordt verminderd.

Mogelijke bijwerkingen:

  • Belangrijkst: Kriebelhoest
  • Lage bloeddruk / duizeligheid
  • Huiduitslag / jeuk
  • Nierfunctiestoornissen

Voorbeelden van deze medicijnen: capoten (captopril), zestril (lisinopril), acupril (quinapril) en New-ACE

ACE-blokkers

ACE-blokkers inhiberen de vrijstelling van angiotensine I converterend enzym (Angiotensin Converting Enzyme) (ACE) en worden hierdoor gebruikt als behandeling van een te hoge bloeddruk. Gebruik van ACE-blokkers verhinderen het omzetten van angiotensine in angiotensine II, waarmee vaatvernauwing en dus bloeddrukverhoging wordt voorkomen.

Alfablokkers
Alfablokkers zijn een groep geneesmiddelen waartoe doxazosine, indoramine en prazosine behoren. Alfablokkers verwijden de bloedvaten, waardoor het bloed gemakkelijker door het lichaam kan stromen, wat de bloeddruk verlaagt. Als u deze medicijnen voor het eerst gebruikt kunt u duizelig worden, dus wordt de eerste dosis genomen vlak voordat u naar bed gaat. Deze medicijnen worden normaal niet alleen gebruikt maar toegevoegd aan andere medicijnen, als de bestaande behandeling de bloeddruk niet onder controle kan brengen.

Betablokkers
Bètablokkers (of bètareceptor-blokkerende stoffen) vormen een groep van geneesmiddelen. De werking berust met name op het voorkomen (blokkeren) dat prikkels het hart vanuit het zenuwstelsel kunnen bereiken. Bètablokkers worden veel toegepast bij de behandeling of preventie van hartritmestoornissen. Ze vertragen de hartslag, waardoor het hart rustiger gaat pompen, en ze veroorzaken een verwijding van de bloedvaten. Hierdoor daalt de bloeddruk.

Het hart wordt algemeen minder belast, waardoor de zuurstofvraag ook daalt.

Bètablokkers zijn grofweg te verdelen in twee groepen: de bèta 1 selectieve blokkers en de bèta 2 selectieve blokkers. Bèta 1 blokkers werken vooral in op het hart en worden daarom ook cardioselectief genoemd. Zij zorgen voor het vertragen van de hartslag. Bèta 2 blokkers hebben een ander werkingsmechanisme, zij werken in op de bronchiën in de longen, op de glucosehuishouding (zij kunnen dan ook beter niet voorgeschreven worden aan diabetici) en op de bloedvaten.

Mogelijke nevenwerkingen
Sneller last van koude handen en voeten, door de lagere bloeddruk. Vooral mensen met de ziekte van Raynaud merken deze bijwerking doordat ze meer last krijgen van koude vingers en tenen. Duizeligheid, vooral bij opstaan uit bed of uit een stoel. Licht gevoel in het hoofd, lichte sufheid, moeite met inslapen, moeheid en zwakte. Dit gaat doorgaans na enkele dagen over. Maagdarmklachten, zoals misselijkheid, verstopping of diarree. Dit gaat doorgaans na enkele dagen over. Impotentie door de lagere bloeddruk. Levendiger dromen en/of nachtmerries. Hypoglycemie (bij diabetespatiënten) wordt minder snel gevoeld. Meer last van benauwdheid bij astma, chronische bronchitis of longemfyseem.

Beschikbare betablokkers

  • Acebutolol
  • Atenolol
  • Betaxolol
  • Bisoprolol
  • Carvedilol
  • Celiprolol
  • Esmolol
  • Labetalol
  • Metoprolol
  • Nebivolol
  • Oxprenolol
  • Pindolol
  • Propranolol
  • Sotalol
  • Tertatolol

Calciumantagonisten

Een calciumantagonist is een geneesmiddel dat de specifieke kanaaltjes in het celmembraan van spiercellen blokkeert, waardoor transport van calciumionen bemoeilijkt wordt. Deze middelen worden daarom ook wel ‘calcium channel blockers’, calciumkanaalblokkeerders, genoemd.

Het effect is dat de spieren zich minder sterk samentrekken. Deze middelen vertragen dus de contractiekracht van onder andere de hartspier en worden vooral als middel tegen hoge bloeddruk gebruikt. Daarnaast hebben ze op het hart een gering geleidingsvertragend effect.

Renine remmers
Groep van medicijnen met een bloeddrukverlagende (= antihypertensieve) en hartfunctie-verbeterende werking.

Het RAS, waarvan ook de nieren (= ren) deel uitmaken, zorgt voor:

  • toename van de bloeddruk en bloedvolume en verhoging van het natrium-gehalte in het bloed
  • groei van de spiercellen in de wand van de bloedvaten van de nieren en de hersenen en in de wand van het hart

Remming (= blokkade = antagonisme) van het RAS vermindert alle hierboven bovengenoemde effecten waardoor de bloeddruk daalt, het bloedvolume afneemt en de pompfunctie van het hart verbetert.

Mogelijke toepassingen (o.a.)

  • bloeddrukverhoging (= hypertensie) door een te hoge activiteit van het RAS (= renovasculaire hypertensie)
  • hart-falen (= hart-insufficiëntie, decompensatio cordis)
  • hartinfarct (= myocard-infarct): ter voorkoming (= preventie, profylaxe) van een tweede infarct
  • diabetische nefropathie (= nieraandoening door suikerziekte)

RAS-remmers worden onderverdeeld in:

  • ACE-remmers (= angiotensine-I-blokkers)
  • angiotensine-II-blokkers

Vochtafdrijvende middelen (diuretica)
Een diureticum is een middel dat de uitscheiding van water door het lichaam bevordert. Het gevolg hiervan is normaal gesproken een verhoogde productie van urine.

Daarom worden dergelijke middelen in de volksmond vaak betiteld als plastablet of plaspil. Er bestaan vele diuretica, die op verschillende wijzen hun effect uitoefenen. Er kan een indeling worden gemaakt volgens verschillende criteria. De indeling zoals hieronder gebruikt is niet helemaal logisch maar in de praktijk wel gebruikelijk.

Lisdiuretica, die de terugresorptie van water in de lis van Henle tegengaan waardoor het volume van de urine toeneemt. Voorbeelden: furosemide, bumetanide. Thiazidediuretica, die vooral op de renale tubulus hun effect uitoefenen met name het inhiberen van de NaCl symporter, waardoor het urinevolume eveneens toeneemt. Voorbeeld: chloorthiazide Kaliumsparende diuretica, die anders dan de eerste twee categorieën kaliumionen vasthouden. Voorbeeld: Spironolacton, Amiloride Osmotische Diuretica, zoals mannitol worden wel gefilterd door het glomerulair apparaat maar worden nergens in de nier gereabsorbeerd, wat leidt tot een stijging van de osmolariteit van het filtraat. Om de balans in evenwicht te houden wordt eveneens water weerhouden en het urinevolume verhoogt om de osmolariteit te laten dalen. Andere middelen, zoals acetazolamide.

Diuretica worden gegeven voor meerdere kwalen:

  • hartfalen, waarbij het lichaam meer water vasthoudt dan gewenst
  • hoge bloeddruk
  • de minder frequente aandoeningen nefrotisch syndroom en levercirrose

Mogelijke bijwerkingen:

  • Verminderde eetlust
  • Misselijkheid
  • Diarree
  • Langzame of onregelmatige hartslag